Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
21.4.4 De plaatsing van het onderwerp ten opzichte van pronominale voorwerpen
Verder lezen
Opmerking
Verdieping
Opmerking
Wat hier volgt handelt vooral over de plaats van aanwijzende voornaamwoorden en naamwoordelijke constituenten met een substantivische kern als onderwerp ten opzichte van voornaamwoorden als voorwerp. Voor enkele bijzonderheden wat de onderlinge plaatsing van voornaamwoorden betreft zie men voorts [21·4·5]. De plaatsverhoudingen tussen (substantivische en pronominale) onderwerpen en substantivische voorwerpen worden behandeld in [21·4·7].
1
Aanwijzende voornaamwoorden en naamwoordelijke constituenten met een substantivische kern als onderwerp (zie [1] en [3] uit het regelsysteem in [21·4·2/3]) kunnen toch na een voorwerp staan als ze informatief van groter belang zijn, met name na gereduceerde (onbeklemtoonde, in voorkomende gevallen enclitische) niet-onderwerpsvormen van de persoonlijke voornaamwoorden en na het wederkerend voornaamwoord zich als voorwerp (2 t/m 5 hieronder), maar ook soms na een voornaamwoord in de volle vorm (zie onder 6).
2
Een substantivisch onderwerp kan (ook als het een bepaalde constituent is) van de persoonsvorm gescheiden zijn door een zogenaamde ethische datief, bijv.:
1Nu |heeft| me die vuilik z'n handen weer niet |gewassen!|
In dit geval is de plaats van me direct na de persoonsvorm de enige mogelijkheid.
3
Het aanwijzend voornaamwoord dat als onderwerp staat gewoonlijk na een voornaamwoordelijk meewerkend of ondervindend voorwerp, bijv.:
2Toch |heeft| hem/'m dat geen voordeel op|geleverd.|
3Wat |kon| me dat |schelen.|
4
Voorts kan een naamwoordelijke constituent met substantivische kern als onderwerp na een voornaamwoordelijk ondervindend of meewerkend voorwerp zonder voorzetsel staan:
  • na koppelwerkwoorden, bijv.:
    4Steeds weer |leek| hem zo' n opgave onuitvoerbaar.
    5(Maar) gezien dat feit |lijkt| ons dat bezwaar niet onoverkomelijk.
    6aBlijkbaar |was| hem die belangstelling niet onaangenaam.
    bBlijkbaar |was| die belangstelling hem niet onaangenaam.
  • bij een vrij lang ('complex') onderwerp, bijv.:
    7Dat |vertelde| me die lieve, kleine meid van je oudste broer gisteren nog.
  • in passieve zinnen (vergelijk [21·4·7·2/2]), bijv.:
    8Daarom |werd| hem een schilderij aan|geboden. |
    9aDaarom |werd| hem het schilderij aan|geboden.|
    bDaarom |werd| het schilderij hem aan|geboden.|
    cDaarom |werd| het schilderij hem door de voorzitter aan|geboden. |
    Naast 9a is ook 9b mogelijk vanwege het feit dat het onderwerp een bepaalde naamwoordelijke constituent is. Als er nog een door -bepaling optreedt in de zin (vergelijk [21·4·7·4/2]) lijkt dezelfde volgorde zoals in 9b gemakkelijker mogelijk te zijn; zie 9c.
1a
De mogelijkheden voor de plaatsing van het onderwerp ten opzichte van het wederkerende voornaamwoord zich als lijdend voorwerp variëren naargelang van het geval. Het is vooralsnog niet helemaal duidelijk wanneer zowel de volgorde onderwerp - zich als de volgorde zich - onderwerp mogelijk is (en of er dan een voorkeur is) en wanneer slechts één van beide volgordes kan.
Gaan we uit van de vorm van het onderwerp dan kunnen we het volgende stellen. Een niet-specifiek onbepaalde naamwoordelijke constituent komt in de regel na zich, een specifiek onbepaalde en een generieke naamwoordelijke constituent gaan gewoonlijk aan zich vooraf, maar de omgekeerde volgorde is niet uitgesloten. Voorbeelden zijn:
10aIn de kelder |bevonden| zich nog drie vaten bier. (niet-specifiek onbepaald)
bIn de kelder |bevonden| nog drie vaten bier zich. (niet-specifiek onbepaald)uitgesloten
11aOp deze plaats |schijnt| zich een meisje op|gehangen te hebben.| (niet-specifiek onbepaald; accent op meisje)
bOp deze plaats |schijnt| een meisje zich op|gehangen te hebben.| (niet-specifiek onbepaald; accent op meisje)uitgesloten
12Op deze plaats |schijnt| een meisje zich op|gehangen te hebben.| (specifiek onbepaald; accent op opgehangen)
13Zo |gedraagt| een puber zich nu eenmaal. (generiek)
Bestaat het onderwerp uit een bepaalde naamwoordelijke constituent, dan kan het op één uitzondering na in principe altijd zowel vóór als achter zich staan (maar zie verderop). Vergelijk 14, met een onbepaalde constituent, en 15, met een bepaalde:
14aHier |heeft| zich een drama af|gespeeld. | (niet-specifiek onbepaald; accent op drama)
bHier |heeft| een drama zich af|gespeeld.| (niet-specifiek onbepaald)uitgesloten
15aHier |heeft| zich dat drama af|gespeeld. | (bepaald)
bHier |heeft| dat drama zich af|gespeeld. | (bepaald)
Alleen bij een persoonlijk voornaamwoord als onderwerp is de volgorde onderwerp - zich verplicht:
16aEerst |waste| zich hij vlug.uitgesloten
bEerst |waste| hij zich vlug.
Er dient op gewezen te worden dat bij de volgorde zich - onderwerp het onderwerp vaak (maar niet als het een voornaamwoord is) slechts schijnbaar direct op zich volgt. Dat blijkt uit het feit dat als er een bepaling in het middenstuk voorkomt, die tussen de beide elementen in staat (c.q. moet staan). Zo zou een tijdsbepaling (bijv. gisteren) in 10a en 11a nog vóór het onderwerp (moeten) komen. Anders geredeneerd: het onderwerp staat in sommige gevallen verplicht verder naar achteren in het middenstuk (voor voorbeelden, onder meer van zinnen waarin ook zich voorkomt, zie men [21·4·8·2/3]).
1b
Met een verschil in volgorde van onderwerp en zich gaat veelal een verschil in informatieve geleding en/of betekenis van de hele zin gepaard.De volgorde zich - onderwerp wordt met name gebruikt als een of andere entiteit (uitgedrukt door het onderwerp) in het gesprek of in de uiteenzetting geïntroduceerd moet worden. Niet-specifiek onbepaalde constituenten zijn hier bij uitstek voor geschikt (zie [14·3·1/2]), maar ook bepaalde constituenten kunnen die functie vervullen. Bepaalde constituenten refereren weliswaar aan een bekend veronderstelde zelfstandigheid, maar van belang is hier dat zo'n zelfstandigheid als een nieuwe bijdrage aan het gesprek of de uiteenzetting gepresenteerd wordt. De inhoud van het gezegde verdwijnt naar de achtergrond. Centraal staat het optreden, bestaan ('er zijn') of ontstaan van de entiteit. Het onderwerp zelf is met andere woorden informatief het belangrijkste element. De volgorde zich - onderwerp treedt dan ook typisch op bij een wederkerende gezegdes als zich aandienen, zich afspelen, zich aftekenen, zich bevinden, zich manifesteren, zich ontplooien, zich ontwikkelen, zich openbaren, zich verheffen, zich vertonen, zich voordoen, zich voltrekken, zich vormen, waarvan de letterlijke betekenis doorgaans verbleekt is tot een algemenere, vagere betekenis 'zijn, gebeuren, verschijnen, optreden, ontstaan etc.'. Voorbeelden zijn behalve 10a:
17Daarbij |vormde| zich een hele lange rij.
18In de verte |verhieven| zich de Alpen.
19Parallel met de schilderkunst |ontwikkelde| zich de literatuur verder.
20Bij dergelijke zinnen |doen| zich de volgende gevallen voor | |: (...).
Ook als de letterlijke betekenis van het werkwoord niet verbleekt is, kan de volgorde zich - onderwerp natuurlijk gebruikt worden om het onderwerp duidelijker als informatief belangrijkste element te presenteren, bijv.:
21Een dag na het verstrijken van het ultimatum |vergaste| zich de 18-jarige studente B. N.
Opmerking
Verdieping
Opmerking
De hierboven besproken gevallen vertonen overeenkomst met zinnen met presentatief er. Dit er geeft immers aan dat een of andere entiteit (als onderwerp) geïntroduceerd wordt. Het presentatieve er treedt gewoonlijk op in combinatie met een niet-specifiek onbepaalde constituent (die verderop in de zin staat), maar kan ook samen met een bepaalde constituent voorkomen. Zie daarvoor uitvoeriger [8·6·3].Er komt natuurlijk ook voor in zinnen met een wederkerend gezegde; vergelijk:
iEr |is| vanmorgen een vreselijk ongeluk |gebeurd.|
iiEr |heeft| zich vanmorgen een vreselijk ongeluk voor|gedaan.|
Zoals in [8·6·3·3/ii] aangegeven wordt, kan er vaak weggelaten worden als het in het middenstuk staat. Het is niet duidelijk in hoeverre het voorkomen van zich de weglaatbaarheid van er beïnvloedt. Voorbeelden:
iiiVanmorgen |heeft| (er) zich een vreselijk ongeluk voor|gedaan.|
iv|Heeft| (er) zich dan echt niemand op|gegeven| voor die functie?
De volgorde onderwerp - zich wordt ook vaak gebruikt als niet het onderwerp, maar de door het gezegde uitgedrukte werking of handeling of een ander gegeven centraal staat en dus informatief een grotere waarde heeft. Het onderwerp is dan een bepaalde constituent die refereert aan iets wat al eerder genoemd is (bijv. een persoonlijk voornaamwoord; zie zin 16b) of aansluit bij het gemeenschappelijke referentiekader van spreker en hoorder of schrijver en lezer (bijv. een eigennaam). Voorbeelden:
22Voor hij ging eten |waste| Jan zich eerst.
23Een dag na de afwijzing van de asielaanvraag |hing| de gevangene zich in zijn cel op.
24Ondanks het slechte weer in het voorjaar |ontwikkelden| de vruchten zich volkomen normaal.
In zin 23 moet er in tegenstelling tot wat het geval is bij zin 21 sprake zijn van een al bekende referent ('de gevangene die al eerder in het bericht genoemd is').
Soms kunnen zich heel subtiele betekenisverschillen voordoen naargelang van de volgorde. Vergelijk telkens de volgende paren zinnen:
25aVoor een bestuursfunctie |heeft| zich niemand op|gegeven.|
bVoor een bestuursfunctie |heeft| niemand zich op|gegeven.|
26aOp het Koningsplein |verzamelde| zich een grote groep jongeren.
bOp het Koningsplein |verzamelde| een grote groep jongeren zich.
27aNa jaren van conflicten binnen de partij |splitste| zich Het Groene Alternatief af.
bNa jaren van conflicten binnen de partij |splitste| Het Groene Alternatief zich af.
Zin 25a geeft eerder dan 25b weer dat er 'geen kandidaatstelling plaatsgevonden' heeft. Er is sprake van een potentiële verzameling kandidaten. Zin 25b daarentegen suggereert veeleer dat er sprake is van een reële verzameling kandidaten (bijv. het zittende bestuur), waarvan niemand de bereidheid getoond heeft om (opnieuw) in het bestuur zitting te nemen. Voor de zinnen 26a en 26b geldt iets vergelijkbaars: de eerste zin betekent veeleer 'er ontstond een grote groep jongeren', de tweede 'er was een grote groep jongeren en die verzamelde zich (op het Koningsplein)'. Zin 27a heeft als meest voor de hand liggende betekenis 'uit de partij ontstond Het Groene Alternatief'. Zin 27b wekt meer de indruk dat er binnen de partij al een bepaalde fractie of groep met de naam Het Groene Alternatief bestond die zich op een gegeven ogenblik afgescheiden heeft. Zulke verschillen in betekenis hoeven echter niet (steeds) aanwezig te zijn. Dat is bijv. niet het geval bij:
28aHoe |ontwikkelde| zich dat verder?
bHoe |ontwikkelde| dat zich verder?
c
Een factor die een rol lijkt te kunnen spelen bij de keuze voor een bepaalde volgorde is voorts de lengte van het onderwerp. Is dit vrij lang, bijvoorbeeld doordat het uit een substantivische constituent met een betrekkelijke bijzin als nabepaling bestaat, dan staat het eerder na zich (overeenkomstig het complexiteitsprincipe), bijv.:
29Hoe |gedroegen| zich de gasten die je voor dat feest uitgenodigd had?
Als de zin echter een gerealiseerde tweede pool bevat, bijvoorbeeld als er een samengestelde werkwoordstijd in staat, komt het onderwerp gewoonlijk toch vóór zich, dat op die manier zelf vlak vóór het hoofdwerkwoord komt te staan. Vergelijk met 29:
30Hoe |hebben| de gasten die je voor dat feest uitgenodigd had zich |gedragen? |
6
Aanwijzende voornaamwoorden en naamwoordelijke constituenten met substantivische kern als onderwerp kunnen voorts na een voorwerp staan als dat voorwerp een voornaamwoord in de volle vorm is; vergelijk:
31aToen |overkwam| jou dat.
bToen |overkwam| dat jou.
32aDat |beloofde| haar de directeur zelf.
bDat |beloofde| de directeur zelf haar.
Tussen de zinnen van elk van deze paren bestaat er een verschil in informatieve geleding dat zo weergegeven zou kunnen worden: de (a) -zinnen zijn vanuit het standpunt van het voorwerp (jou, respectievelijk haar) bekeken, de (b) -zinnen vanuit het standpunt van het onderwerp (dat, respectievelijk de directeur zelf).
Het aanwijzend voornaamwoord dat als onderwerp staat zelfs bij voorkeur na een voornaamwoord dat meewerkend voorwerp is, alsook na een voornaamwoord dat lijdend voorwerp is bij het werkwoord interesseren, vergelijk:
33aToch |kan| ons dat niets |schelen.|
bToch |kan| dat ons niets |schelen.|
34aNooit |heeft| u dat enig voordeel op|geleverd.|
bNooit |heeft| dat u enig voordeel op|geleverd. |
35aNog nooit |heeft| hem dat |geïnteresseerd. |
bNog nooit |heeft| dat hem |geïnteresseerd. |
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links