Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
1.8.7 Niet-fonologische spellingconventies
Spelling wordt niet alleen gebruikt om de fonologische vorm van woorden weer te geven. Er zijn ook conventies die syntactische en semantische informatie weergeven.
Het begin van een zin wordt gemarkeerd door de eerste letter van het eerste woord met een hoofdletter weer te geven, en het einde van een zin wordt gemarkeerd door een punt. De interne geleding van een samengestelde zin of woordgroep kan worden weergegeven door komma’s tussen de samenstellende delen te plaatsen. Met die komma’s corresponderen wel mogelijke locaties voor een pauze in de uitspraak.
In de spelling van het Nederlands worden spaties gebruikt om woorden van elkaar af te grenzen. Het gebruik van spaties is primair gebaseerd op het grammaticale begrip ‘woord’, het woord als morfologische en syntactische eenheid. Een samenstelling bestaat uit meer dan één prosodisch woord, maar de spaties worden gebruikt om woorden in grammaticale zin af te bakenen. Een woord als rijksmuseum is één grammaticaal woord, ook al bestaat het uit twee prosodische woorden, rijks en museum. Daarom moet het gespeld worden zonder interne spatie. Bij veel taalgebruikers bestaat echter de neiging om samenstellingen toch met een interne spatie te schrijven. Het is immers niet voor iedere taalgebruiker gemakkelijk om in ieder geval te bepalen of een reeks woorden een woord of een woordgroep is, omdat woorden uit meer dan één prosodisch woord kunnen bestaan, en in dat opzicht lijken op woordgroepen. Mogelijk is er ook invloed van het Engels, dat veel samenstellingen, vooral de wat langere, spelt met een interne spatie.
Het onderscheid tussen woord en woordgroep is gecompliceerd in het geval van scheidbaar samengestelde werkwoorden. Omdat een werkwoord als aanvallen scheidbaar is in hoofdzinnen, kan dit werkwoord syntactisch gezien niet worden opgevat als één woord. Toch vereist de spelling van het Nederlands dat in een bijzin aan en vallen aan elkaar worden geschreven als ze naast elkaar staan:
1aHet leger viel de vijand aan
b… dat het leger de vijand aanviel
c… dat het leger de vijand aan wilde vallen
d… dat het leger de vijand wilde aanvallen
In de zinnen (1b) en (1d) vormt de woordreeks aan + vallen een nauwe syntactische eenheid, wat weerspiegeld wordt door de spelling van deze woordcombinatie zonder interne spatie. Dit verschil zien we ook in het scheidbaar samengestelde werkwoord ademhalen tegenover de woordgroep adem krijgen:
2a… dat ik niet kon {ademhalen/*adem krijgen}
b… dat ik geen adem kon {halen / krijgen}
De nauwe syntactische band tussen adem en halen blijkt uit het feit dat hier het ontkennend woord niet voor werkwoorden kan worden gebruikt, terwijl geen moet worden gebruikt bij het aparte zelfstandig naamwoord adem dat fungeert als lijdend voorwerp in adem krijgen. Spatiegebruik is dus in hoofdzaak geen fonologische, maar een morfologische en syntactische kwestie.
Zie Booij (2010: hoofdstuk 5) en Booij & Van Santen (2017: hoofdstuk 8).
Bij clitische vormen van voornaamwoorden wordt die clitische status soms gemarkeerd door een apostrof:
3Dat zal ’k wel doen
Ik zal ’t wel doen
’s Ochtends werd hij gebeld
’s-Gravenhage
De prosodische band tussen het clitische woord en gastwoord wordt weergegeven door een liggend verbindingsstreepje in het geval van het clitisch voornaamwoord ie:
4Ik hoop dat-ie komt
Het gebruik van hoofdletters aan het begin van woorden heeft ook een semantische functie, het markeren van namen. Dat geldt bijvoorbeeld voor persoonsnamen, familienamen, geografische namen, namen van bedrijven en instellingen, en namen van abstracte entiteiten zoals commissies en regelingen. In namen die uit woordgroepen bestaan worden alleen woorden van lexicale categorieën van een hoofdletter voorzien. Bij afkortingen worden die hoofdletters gehandhaafd:
5Partij van de Arbeid /PvdA
Universiteit van Amsterdam /UvA
Een bijzonder gebruik van hoofdletters is dat om eerbied uit te drukken. Zo worden niet alleen woorden als God en Allah doorgaans met een hoofdletter geschreven, maar soms ook andere woorden die naar God verwijzen. Een voorbeeld is de volgende zin uit de Bijbel (Psalm 44: 5), die respectievelijk in de Statenvertaling, de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap van 1951, en in de Nieuwe Bijbelvertaling als volgt wordt gespeld:
6aGij Zelf zijt mijn Koning, o God
bGij toch zijt mijn Koning, o God
cU, God, bent mijn koning
Een tweede voorbeeld is de beginregel van Mattheus 10, uit dezelfde drie Bijbelvertalingen:
7aEn Zijn twaalf apostelen tot Zich geroepen hebbende, heeft Hij hun macht gegeven over de onreine geesten […]
bEn Hij riep zijn twaalf discipelen tot Zich en gaf hun macht over onreine geesten […].
cDaarop riep hij zijn twaalf leerlingen bij zich en gaf hun de macht om onreine geesten uit te drijven […]
De vertalingen verschillen dus in de mate van gebruik van zogenaamde eerbiedskapitalen. Opmerkelijk is met name het gebruik van hoofdletters voor voornaamwoorden in de oudere vertalingen.
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 Geert Booij september 2020
    Interessante links