Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
28.3.5.1 Werkwoordelijke gezegdes
Verder lezen
Werkwoordelijke gezegdes kunnen modaliteit uitdrukken als in de betekenis van het zelfstandig werkwoord uit de hoofdzin tot uitdrukking wordt gebracht hoe de spreker de realiteitswaarde van het in de rest van de zin (de lijdendvoorwerpszin) genoemde ziet of hoe zijn attitude ten opzichte daarvan is. Voorbeelden:
1Ik vermoed dat Koos wat later komt.
2Ik denk dat het gaat regenen.
3We menen recht te hebben op een uitkering.
4Ik hoop de finale te halen.
5We vrezen dat niemand de pont gehaald heeft.
6We betreuren het ten zeerste dat er zoveel ontslagen gevallen zijn.
In de zinnen 1 t/m 3 is er sprake van verstandsmodaliteiten. De spreker geeft door de keuze van het zelfstandig werkwoord uit de hoofdzin te kennen dat hij onzeker is ten aanzien van de werkelijkheidswaarde van de in de rest van de zin (de lijdendvoorwerpszin) beschreven situatie. De zinnen 4 en 5 brengen zowel een verstandsmodaliteit als een gevoelsmodaliteit tot uitdrukking. De spreker van 4 geeft te kennen dat het heugelijk zou zijn als hij de finale zou halen. Tegelijk presenteert hij de situatie ook als onzeker: hij 'hoopt' het; hij 'weet' het niet zeker. In 5 geeft de spreker met het werkwoord vrezen uitdrukking aan gevoelens van angst over een situatie waarin niemand de pont gehaald heeft en geeft daarmee tevens te kennen dat hij niet zeker weet of deze situatie beantwoordt aan de werkelijkheid. In zin 6 tot slot is er sprake van alleen een gevoelsmodaliteit. De spreker brengt met behulp van het werkwoord betreuren gevoelens van spijt tot uitdrukking.
Het is daarbij van belang dat het subject steeds een persoonlijk voornaamwoord in de eerste persoon enkelvoud (ik) of meervoud (wij) is. Alleen dan kan de spreker met het gebruik van de zin zijn visie over het erin beweerde tot uitdrukking brengen. In 7a geeft de spreker te kennen dat hij niet zeker weet of de in de zin beschreven situatie 'Piet heeft het licht aangelaten' beantwoordt aan de werkelijkheid. Het is slechts een vermoeden van hem. De in 7a tot uitdrukking gebrachte onzekerheidsmodaliteit kan dan ook expliciet worden gemaakt met behulp van een bepaling van modaliteit (7c):
7aIk vermoed dat Piet het licht heeft aangelaten.
bJan vermoedt dat Piet het licht heeft aangelaten.
cPiet heeft vermoedelijk het licht aangelaten.
Zin 7c komt in modaliteit overeen met 7a. In 7b daarentegen weet de spreker zeker dat Jan vermoedt dat Piet het licht heeft aangelaten. De zin is een neutrale mededelende zin. De werkelijkheidswaarde wordt als vanzelfsprekend gepresenteerd. De spreker neemt verder geen stelling ten aanzien van de mededeling in de ondergeschikte zin Piet (heeft) het licht aangelaten. In 7b wordt geen onzekerheidsmodaliteit tot uitdrukking gebracht en 7b komt dan ook niet in modaliteit overeen met 7c.
Vergelijk ook de zinnen in 8 en 9:
8aIk hoop de finale te halen.
bHopelijk haal ik de finale.
9aPiet hoopt de finale te halen.
bHopelijk haalt Piet de finale.
In zin 8a brengt de spreker zijn eigen opvatting over de werkelijkheidswaarde en over de inhoud van het in de zin beweerde tot uitdrukking in de betekenis van hopen. De (a) -zin drukt derhalve een modaliteit uit die ook met behulp van een corresponderende bepaling van modaliteit in zin 8b te expliciteren is. Zin 8a is wat het modaliteitsaspect betreft synoniem met 8b. Dat geldt opnieuw niet voor de zinnen in 9. Met het gebruik van de (a) -zin brengt de spreker niet tot uitdrukking dat het hopelijk zo is (en dus nog onzeker) dat Piet de finale haalt. Hij zegt met 9a dat het zeker zo is dat Piet hoopt dat hij (Piet) de finale haalt. In 9a wordt kortom geen onzekerheidsmodaliteit uitgedrukt en 9a is dan ook niet synoniem met 9b.
Opmerking
Verdieping
Opmerking
Een uitzondering op de regel dat het onderwerp ik of wij moet zijn, vormen zinnen als i:
iMen zegt dat de economie weer gaat aantrekken.
waarin het onderwerp men in combinatie met werkwoordelijke gezegdes als zeggen, denken, van mening zijn, enz. uitdrukking geeft aan een vigerende mening, opvatting enz. De spreker demonstreert met dergelijke zinnen zijn onzekerheid ten aanzien van de mededeling uit de afhankelijke zin. In i geeft de spreker dus met het gebruik van men zegt aan dat de mededeling de economie (gaat) weer aantrekken onzeker is (zie [28.2.3.2]).
Een tweede uitzondering op de regel dat het onderwerp een persoonlijk voornaamwoord in de eerste persoon moet zijn, wordt gevormd door zinnen met de groepsvormende werkwoorden beloven of dreigen. Voorbeelden:
iiHet belooft mooi weer te worden.
iiiDe protestactie dreigde in een handgemeen met de politie uit te lopen.
Naast een verstandsmodaliteit (in beide gevallen wordt de inhoud van de rest van de zin als onzeker voorgesteld) geven deze werkwoorden ook een gevoelsmodaliteit weer. Bij beloven verbindt de spreker een positief gevoel aan de zinsinhoud en bij dreigen een negatief gevoel.
Opmerking
Verdieping
Opmerking
De werkwoorden vinden en achten kunnen samen met een adjectivische constituent modaliteit uitdrukken. Voorbeelden:
iIk acht het onwaarschijnlijk dat Nederland wint.
iiIk vind het vervelend dat ik die film gemist heb.
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links