Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
2.3.2.1 Algemeen
Verder lezen
In de ANS worden zoveel mogelijk de termen van de traditionele grammatica gebruikt [0.5.3], die grotendeels aan de grammatica van de klassieke talen ontleend zijn. Zo is het woord ' wijs', dat voor een viertal vormcategorieën van het Nederlandse werkwoord gebruikt wordt, een vertaling van het Latijnse 'modus'. Deze term dekt ook in de klassieke grammatica nogal verschillende inhouden. Zo heeft een regelmatig Grieks werkwoord ongeveer tienmaal zoveel vormen die tot de 'modus indicativus' (indicatief, aantonende wijs) gerekend worden als vertegenwoordigers van de 'modus infinitivus' (infinitief, onbepaalde wijs), terwijl verder bij de indicatief de categorieën ' persoon' en 'getal' een rol spelen en bij de infinitief niet. Maar als de klassieke termen op het Nederlands worden toegepast, is het verschil tussen de categorieën die met de term 'wijs' aangeduid worden, nog veel groter. Dit valt met name op bij de categorie 'modus conjunctivus' (conjunctief, aanvoegende wijs), die in de klassieke talen een behoorlijke vormenrijkdom bezat en geregeld gebruikt werd (zij het in mindere mate dan de indicatief), maar in het Nederlands vergeleken met de indicatief morfologisch en wat het gebruik betreft, niet meer dan een rudiment is. Ook de vierde 'wijs', de 'modus imperativus' (imperatief, gebiedende wijs) is arm aan vormen, maar in het gebruik is deze categorie niet uitzonderlijk.
Binnen de vormcategorieën die met de term 'wijs' worden aangeduid, kunnen de categorieën 'tijd' (tempus; als grammaticale categorie in de ANS werkwoordstijd of grammatische tijd genoemd), 'persoon' en 'getal' (numerus) een rol spelen. Dit is het geval als het werkwoord als persoonsvorm voorkomt, dus niet bij de infinitief.
De werkwoordstijden (zie voor de benamingen en vormen [2.3.2.8]) hebben onder andere tot taak om uit te drukken of de door het werkwoord genoemde werking voor, tijdens of na het spreekmoment te situeren is [2.4.8]. Binnen iedere werkwoordstijd kunnen verschillende vormen bestaan voor de categorieën 'persoon' en 'getal'. De categorie 'persoon' bestaat uit de eerste, tweede en derde persoon; de categorie 'getal' uit enkelvoud en meervoud (zie voor deze onderscheidingen [5.2.2]).
Opmerking
Verdieping
Opmerking
Het systeem van eerste, tweede en derde persoon kan doorkruist worden door over zichzelf of tegen iemand anders 'in de derde persoon te spreken'. Een persoonsvorm staat namelijk altijd in de derde persoon als het onderwerp geen voornaamwoord is, ongeacht de betekenis. Zo duidt in i het onderwerp de spreker aan en in ii t/m vii de toegesprokene(n), maar het werkwoord staat steeds in de derde persoon:
iaOndergetekende is het hier niet mee eens.
bOndergetekende ben het hier niet mee eens. uitgesloten
iiaOnze kleine meid wil zeker wel een lekker koekje?
bOnze kleine meid wilt zeker wel een lekker koekje?uitgesloten
iiiGaat Bello met de baas mee?
ivWillen de sopranen nog eens beginnen bij maat 17?
vAls de heren hier even willen wachten, dan zal ik de directeur waarschuwen.
viMeneer heeft zeker weer geen tijd om af te wassen?
viiWil dominee nog een kopje koffie? formeel,regionaal
Het gebruik van de derde persoon bij het spreken tegen anderen kan tot de standaardtaal gerekend worden als het gaat om het spreken tegen kinderen (bijv. iia), (huis)dieren (bijv. iii), meer dan één persoon (iv en v), en als de taaluiting een negatieve connotatie heeft (ergernis, ironie, sarcasme en dergelijke (bijv. vi).
In andere gevallen (zoals vii) is deze manier van spreken als een regionalisme te beschouwen (vooral voorkomend in Friesland en het noordoosten van Nederland) of als een archaïsch aandoende beleefdheidsformule.
Per werkwoordstijd bestaan er in de geschreven taal verschillende vormen voor enkel- en meervoud; in de gesproken taal is dat niet altijd het geval. Met de drie personen corresponderen zowel in de geschreven als in de gesproken taal per werkwoordstijd soms maar niet altijd verschillende vormen.
Behalve de genoemde categorieën bestaan er in het Nederlands nog twee vormcategorieën waarvoor de term 'deelwoord' (participium) gebruikt wordt. Het voltooid deelwoord (verleden deelwoord, participium perfecti) en het passief deelwoord kunnen als één vormcategorie beschouwd worden, omdat ze altijd dezelfde vorm hebben. Daarnaast bestaat het tegenwoordig deelwoord (onvoltooid deelwoord, participium praesentis).
Door het zeer beperkte vormenbestand van de conjunctief (aanvoegende wijs) en imperatief (gebiedende wijs) spelen de categorieën 'tijd', 'persoon' en 'getal' daar maar een ondergeschikte rol. Als een bepaalde werkwoordsvorm wordt aangeduid in termen van deze drie categorieën (bijv. 'presens, eerste persoon, enkelvoud' of 'imperfectum, tweede persoon, meervoud') zonder verdere toevoeging, wordt dan ook altijd een vorm van de indicatief (aantonende wijs) bedoeld. Daarom komt in de hier volgende subparagrafen de indicatief niet expliciet aan de orde. Alle andere hierboven genoemde vormcategorieën worden wel behandeld, in de volgorde die voor de beschrijving het meest praktisch is. Bovendien wordt een subparagraaf gewijd aan de 'stam', een geconstrueerd taalelement dat als hulpmiddel dient voor de bepaling van de vervoeging.
Vermelding verdient nog dat infinitieven en deelwoorden wel niet-vervoegde of infiniete werkwoordsvormen genoemd worden; de andere werkwoordsvormen heten dan vervoegd of finiet.
De regels die in de volgende subparagrafen gegeven worden, gelden uitsluitend voor de regelmatige werkwoorden en de onregelmatige werkwoorden-a.
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links