Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
6.2.1 Betekeniscategorieën van adjectieven
Verder lezen
Bij de adjectieven kan men de volgende betekeniscategorieën onderscheiden.
  1. Eigenschapswoorden;
    Eigenschapswoorden noemen een bijzonderheid die niet aan bepaalde omstandigheden gebonden is. Hierbij kan men verder een onderscheid maken in:
    1. adjectieven die een zintuiglijk of fysisch waarneembare eigenschap aangeven, waaronder vorm en kleur, bijv.:
      een vierkant doosje, een driehoekig verkeersbord, die gelijkbenige driehoek, cilindrische inhoudsmaten, het tweedelige standaardwerk; een groene appel, een knalrood jurkje; een dikke boom, een hoge hoed, een koele drank, een vrij lang verhaal, buigzaam materiaal;
    2. adjectieven die een gedachte eigenschap of een door redenering (bijv. vergelijking, enz.) afgeleide eigenschap noemen, respectievelijk bijv.:
      die aardige jongen, een prachtige beukenlaan, een tamelijk moeilijk hoofdstuk, interessante mededelingen, dat oersaaie boek; een doelmatige aanpak, tegenstrijdige berichten, de originele tekst, een erg actueel onderwerp, een zeer leesbaar boek, een onverklaarbare oorzaak, een beestachtige moord, houtkleurig papier;
    3. adjectieven die een 'typische' eigenschap aangeven, te omschrijven met 'eigen aan, behorend tot, afkomstig van + substantief'; ze komen overeen met een achter het substantief geplaatste voorzetselconstituent, bijv.:
      plantaardige olie (= 'olie van planten'), dierlijke vetten (= 'vetten van dieren'), de menselijke geest (= 'de geest van de mens'), wiskundige formules (= 'formules uit de wiskunde'), een taalkundig geschrift (= 'een geschrift over of uit de taalkunde'), democratische beginselen (= 'beginselen van de democratie').
      Bepaalde adjectieven kunnen zowel tot subcategorie [b] als tot subcategorie [c] behoren, naargelang van de afgeleide of de eigenlijke betekenis ervan. Zo behoren dierlijk (= 'van, afkomstig van een dier') evenals menselijk (= 'van, eigen aan de mens') tot groep [c], maar dierlijk (= 'als van dieren') en menselijk (= 'als van mensen') tot groep [b].
  2. Adjectieven die de oorsprong van of enig verband met een zelfstandigheid noemen;
    Deze adjectieven sluiten nauw bij subcategorie [1][c] aan. Ze hangen samen met de klasse van de eigennamen. Het zijn namelijk allemaal:
    1. afleidingen van geografische namen, bijv.:
      Friese nagelkaas, de Belgische consul, een Japanse nachtegaal, de Europese Unie, een Weense operette, Zeeuwse mosselen, het Vietnamese volk;
    2. afleidingen van persoonsnamen, bijv.:
      de Kantiaanse categorieën, Vondeliaanse klanken, de marxistische leer, de euclidische meetkunde, de Gregoriaanse kalender.
  3. Stofadjectieven;
    Stofadjectieven noemen de stof waaruit de zelfstandigheid bestaat, bijv.:
    een zilveren zakhorloge, een plastic dopje, die betonnen muur, dat gietijzeren hekje, een tinnen potje, de glazen stolp, haar kanten mutsje.
  4. Toestandswoorden;
    Toestandsaanduidende adjectieven zijn adjectieven die een min of meer toevallige en voorbijgaande bijzonderheid aanduiden, die uit de omstandigheden voortvloeit; hiertoe kan men rekenen:
    1. adjectieven zoals in:
      het zieke kind, een dronken vrouw, blije mensen, een bange poes, natte sokken, de boze leraar, een volle tank;
    2. adjectieven die een nauwe eenheid vormen met een werkwoord, zoals:
      afhandig (maken), braak (liggen), wijs (maken), kwijt (raken),
      ,
      en adjectieven die met een koppelwerkwoord verbonden worden en een voorzetselvoorwerp of een oorzakelijk voorwerp vereisen, zoals:
      bezig (zijn met), betrokken (zijn bij), bijster (zijn), indachtig (zijn), opgewassen (zijn tegen).
      De adjectieven in [4b] hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat ze niet zonder meer bijvoeglijk gebruikt kunnen worden [6.3.3].
  5. Adjectieven die een algemene tijdsaanduiding (verleden - heden - toekomst), een tijdsduur, een afstand, een richting of een niet geografisch bepaalde plaats aangeven;
    Voorbeelden van deze categorie zijn:
    het voorbije weekend, de huidige moeilijkheden, aanstaande zaterdag, verleden maand, de toenmalige voorzitter, het toekomende jaar; een jaarlijkse vergadering, een vierjarige overeenkomst, de vierdaagse werkweek; de zeer nabije toekomst, het recente verleden; een ver land; een linkse deur, een zijwaartse beweging, een voorwaartse pas.
    .
    Voor geografische plaatsadjectieven zie men [2][a].
    Reeksaanduidingen zoals middelste, onderste, voorste, laatste, en dergelijke, bijv. in de middelste groep, de onderste plank, de voorste rij en de laatste dag, met als gemeenschappelijk morfologisch kenmerk dat ze op -ste uitgaan, kunnen ook beschouwd worden als rangtelwoorden (vergelijk eerste [7.3]).
  6. Modale adjectieven of oordeelswoorden;
    Dergelijke adjectieven kunnen een gevoelsmodaliteit [28.2] uitdrukken, bijv.:
    dat verdomde boek, dat stomme beest, die bliksemse (drommelse/donderse/duivelse/dekselse) jongen,
    of een verstandsmodaliteit [28.2], bijv.:
    de vermoedelijke dader, een schijnbare tegenstelling, de stellige verzekering, een mogelijke indeling.
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links