Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • DBNL
  • Taaladvies.net
  • Wikipedia
  • Google
20.7.1 Eigenschappen
Het oorzakelijk voorwerp (schuingedrukt in de voorbeelden hieronder) komt voor bij een klein groepje naamwoordelijke gezegden (onderstreept) en heeft de vorm van een nominale constituent, zoals in (1), of een afhankelijke zin, zoals in (2):
1aHet pretpark is zeker een bezoek waard.
bDaarmee was ze ook de eerste aap die een menselijke taal meester was.
cZijn vader was hem zat.
2aIk ben gewend dat alles snel en efficient gaat.
bDe minister-president is voornemens om een korte verklaring af te leggen.
Het oorzakelijk voorwerp heeft veel gemeen met het lijdend voorwerp, met het belangrijke verschil dat het oorzakelijk voorwerp voorkomt bij een naamwoordelijk gezegde, en het lijdend voorwerp bij een werkwoordelijk gezegde. Een verschil dat hiermee samenhangt, is dat een gezegde met een oorzakelijk voorwerp niet passief gemaakt kan worden, terwijl dat doorgaans wel kan bij een gezegde met een lijdend voorwerp.
Anders dan het onderwerp vertoont het oorzakelijk voorwerp geen congruentie met het werkwoord, zie (3): het oorzakelijk voorwerp kan in het enkelvoud staan (de oorlog) of in het meervoud (de oorlogen), maar het werkwoord houdt dezelfde vorm (ben).
Een zin als (i) kan dus dubbelzinnig zijn, omdat aan de hand van deze kenmerken geen onderscheid valt te maken tussen het onderwerp en het oorzakelijk voorwerp. Zowel dat als je kunnen als een van beide worden opgevat:
iHet was een vreemd wezen, dat je toen gewaar werd.
OpenSoNaR
Zulke dubbelzinnigheden kunnen ook voorkomen bij de andere voorwerpen die uitgedrukt kunnen worden door een nominale constituent, zoals het lijdend voorwerp, het ondervindend voorwerp en het indirect object.
Bovendien verschijnen voornaamwoorden die dienstdoen als oorzakelijk voorwerp in de niet-onderwerpsvorm, zoals hem in (4).
Zie 5.2.5.2.3 voor de keuze tussen hen en hun.
3aIk ben de oorlog moe.
bIk ben de oorlogen moe.
4Zult u hem de baas kunnen blijven?
Er is maximaal één oorzakelijk voorwerp per gezegde. Zo'n gezegde kan daarnaast eventueel ook een ondervindend voorwerp bij zich hebben, zoals hem in (5), een indirect object, zoals aan zijn medebankier in het buitenland in (6), of een voorzetselvoorwerp, zoals met dat antieke voorwerp in (7). Deze drie voorwerpen zijn onderstreept.
5Blijkbaar was ik hem geen complimentje waard.
6De hawala-bankier is nu geld schuldig aan zijn medebankier in het buitenland.
7Was je iets speciaals van plan met dat antieke voorwerp?
Anders dan het indirect object (8) en het voorzetselvoorwerp (9) kan het oorzakelijk voorwerp niet beginnen met een voorzetsel, op een enkele uitzondering na:
8Nasa gaat subsidies geven aan twee kleine privé-rakettenbouwers.indirect object
9De ex-mijnwerkers zijn nog steeds trots op hun beroep.voorzetselvoorwerp
Het oorzakelijk voorwerp heeft nog een aantal eigenschappen, die we hieronder bespreken. We gebruiken ze om het oorzakelijk voorwerp verder te karakteriseren, maar ook om het te onderscheiden van andere zinsdelen die ook de vorm van een nominale constituent kunnen hebben, zoals het indirect object, het ondervindend voorwerp en sommige bijwoordelijke bepalingen.
We concentreren ons hier op nominale constituenten; voor afhankelijke zinnen als oorzakelijk voorwerp, zie 20.7.2.
Verder lezen
Wie/wat + [gezegde] + [onderwerp]?
Het oorzakelijk voorwerp kan antwoord geven op de vraag Wie/wat + [gezegde] + [onderwerp]?:
10aIk ben mijn sleutels kwijt.
bWat ben je kwijt? Mijn sleutels.
Het deelt deze eigenschap met de andere voorwerpen, maar niet met bepalingen, zoals vorige week:
11aHij was vorige week jarig.
bWat/wie was jarig? Vorige week.uitgesloten
Nauwe band met het gezegde
Het oorzakelijk voorwerp heeft een nauwere band met het gezegde dan het ondervindend voorwerp, het indirect object en bijwoordelijke bepalingen. Volgens het inherentieprincipe staat het dan ook dichter bij de tweede zinspool dan deze andere constituenten. Dit is te zien in voorbeelden (12)-(14):
12|Mocht| je nou een keer een wachtwoord kwijt |zijn|, dan kun je het hier terugvinden!
Internet, geraadpleegd 16 maart 2023
13Eén manier om ervoor te zorgen |dat| dergelijke minuscule aankopen de handelaar de moeite waard |zijn|, is een bepaald bedrag op te slaan in een online rekening.
OpenSonar (aangepast)
14Ik vind |dat| we die fans deze revanche verschuldigd |zijn|.
OpenSonar (aangepast)
In (12) staat het oorzakelijk voorwerp een wachtwoord dichter bij de tweede pool zijn dan de (tijds)bepaling een keer. In (13) staat het oorzakelijk voorwerp de moeite dichter bij de tweede pool zijn dan het ondervindend voorwerp de handelaar, en in (14) staat het oorzakelijk voorwerp deze revanche dichter bij de tweede pool zijn dan het indirect object die fans. Enkel onder invloed van het links-rechts-principe of het complexiteitsprincipe of als er een speciale accentuering gebruikt wordt, kan hiervan worden afgeweken.
De bepaalde constituent dat wachtwoord in (i) heeft bijvoorbeeld een geringere nieuwswaarde dan de onbepaalde constituent een keer. Volgens het links-rechts-principe kan dat wachtwoord daarom toch voor een keer geplaatst worden:
i|Mocht| je nou dat wachtwoord een keer kwijt |zijn|, …
En volgens het complexiteitsprincipe kan een indirect object ook achter het oorzakelijk voorwerp komen (en dus dichter bij de tweede zinspool) als het met een voorzetsel begint:
iiIk vind |dat| we deze revanche aan die fans verschuldigd |zijn|.
Nominalisatie met van
Er is een bepaald soort nominalisaties mogelijk in het geval van het oorzakelijk voorwerp, al komt dat gebruik in de praktijk maar zelden voor. Het gaat om nominalisaties van het soort het eten van fruit of het bakken van pannenkoeken.
We noemen dit type nominalisatie ook wel een nominalisatie van het type 2.
Dit is te zien in voorbeelden hieronder, met het oorzakelijk voorwerp de Nederlandse taal in (15) en de tinteling van koolzuur in frisdrank in (16):
15aPatiënten zijn zelf verantwoordelijk voor het machtig zijn van de Nederlandse taal.
CHN
bZe zijn de Nederlandse taal niet altijd machtig.
CHN
16aTastzin speelt een cruciale rol bij het gewaar worden van de tinteling van koolzuur in frisdrank.
CHN
bMet je tastzin word je de tinteling van koolzuur in frisdrank gewaar.
Deze eigenschap deelt het oorzakelijk voorwerp met het onderwerp, het lijdend voorwerp, voorzetselvoorwerpen met van en een aantal bepalingen (zie 20.3.1 voor voorbeelden hiervan), maar niet met het indirect object.
Voor het indirect object geldt hierop een uitzondering bij werkwoorden als afnemen of afpakken.
Beperking op het attributief gebruik
Het oorzakelijk voorwerp lijkt weleens op een bepaling die onderdeel is van het naamwoordelijk deel van het gezegde. Vergelijk bijvoorbeeld de zinnen hieronder:
17De vloedgolf was 160 meter hoog.bepaling
18De Brazilianen zijn de corruptie zat.oorzakelijk voorwerp
In (17) vormt 160 meter hoog één constituent, met het bijvoeglijk naamwoord hoog als kern en 160 meter als (voor)bepaling daarbij. Dat (18) een andere structuur heeft, kunnen we zien als we 160 meter hoog en de corruptie zat attributief proberen te gebruiken, zoals in (19)-(20). Dat is wel mogelijk bij de bepaling binnen het naamwoordelijk deel van het gezegde, maar niet bij het oorzakelijk voorwerp:
19aDat is een 160 meter hoge vloedgolf.
bDat is een vloedgolf van 160 meter hoog.
20aDat is een de corruptie zatte Braziliaan.uitgesloten
bDat is een Braziliaan van de corruptie zat.uitgesloten
De corruptie zat: een zinsdeel?
Verdieping
De corruptie zat: een zinsdeel?
Men zou kunnen stellen dat deze eigenschap een gevolg is van het feit dat het oorzakelijk voorwerp een zinsdeel op zich is, en niet samen met het naamwoordelijk deel van het gezegde één enkel zinsdeel vormt. Als het effectief om twee afzonderlijke zinsdelen gaat, zou het volgens de eenzinsdeelregel onmogelijk moeten zijn ze samen op de eerste zinsplaats te plaatsen, zoals gebeurt in (i)-(ii). Volgens die algemene regel kan er hooguit maar één zinsdeel op de eerste zinsplaats staan.
iDe discussie beu was Arron.twijfelachtig
OpenSoNaR, bewerkt
iiMijn geld kwijt ben ik.twijfelachtig
OpenSoNaR, bewerkt
Onder taalkundigen bestaat er discussie over de aanvaardbaarheid van zinnen als (i) en (ii).
Zie Paardekooper (1971: 183–184), van der Horst (1995: 75–77), Klooster (2001: 148), Van de Velde (2009: 53, 61–63).
Sommigen beweren dat zinnen zoals (i)-(ii) wel degelijk aanvaardbaar zijn, en dat het oorzakelijk voorwerp dus wel samen met het naamwoordelijk deel van het gezegde een zinsdeel vormt. Anderen zijn het daarmee oneens. Ook over de geldigheid van deze eenzinsdeelregel bestaat discussie. Hoe dan ook komen zinnen als (i)-(ii) vrijwel nooit voor, maar zie deze uitzonderingen:
iiiHet spoor bijster is de politiek ook allang inzake het spoor zelf.
CHN
ivDe moeite waard is ook de Wandelwebsite van Fred Triep, bioloog en informaticadocent in Alkmaar.
CHN
Literatuur
    Interessante links
    ANS
    Taaladvies
    Dagenta
    Taalportaal
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 Dirk Pijpops januari 2026 Een tussentijdse versie van deze paragraaf werd van commentaar voorzien door Maaike Beliën, Timothy Colleman, Frank Landsbergen en Freek Van de Velde. De verantwoordelijkheid voor de inhoud van dit hoofdstuk berust bij de redacteur(en).
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997 hoofdstuk 20,../../data/archief/ans2/e-ans/20/07/body.html;
    Interessante links