Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • DBNL
  • Taaladvies.net
  • Wikipedia
  • Google
20.3.3 Soorten werkwoorden met een lijdend voorwerp
Werkwoorden die een lijdend voorwerp kunnen hebben, beschrijven een gebeurtenis of situatie met ten minste twee participanten. Het lijdend voorwerp drukt dan vaak iets of iemand uit die een handeling ondergaat, het onderwerp iets of iemand die de handeling uitvoert. We kunnen hierbij de volgende veelvoorkomende categorieën onderscheiden:
  • De referent van het lijdend voorwerp ondergaat geen verandering: er wordt alleen een bepaalde relatie gelegd tussen de referenten van het onderwerp en lijdend voorwerp, zoals bij ontmoeten, aantreffen en vinden, of het werkwoord drukt een vorm van waarnemen uit, zoals bij zien, horen en voelen.
    1In oktober ontmoet de staatssecretaris van Defensie zijn Duitse collega in Berlijn.
    2Je zag een soort draaikolkje.
    CHN
  • De referent van het lijdend voorwerp ondergaat een verandering: een verplaatsing, zoals bij meenemen en weggooien, of een verandering van toestand, zoals bij slaan, herstellen, schilderen en snoeien.
    3Ze had haar paspoort en een schooltas vol kleren meegenomen.
    4De vorige bewoner snoeide de boom eens in de twee weken.
    CHN
  • De referent van het lijdend voorwerp is het resultaat van de handeling, zoals bij componeren, bouwen en schrijven.
    5Tonny Eyck componeerde de begintunes van zowat alle bekende Nederlandse tv-shows.
    6De Duitse schrijfster schreef een bestseller over moedig ouder worden.
    CHN
Zie 20.3.2 voor een overzicht van soorten werkwoorden die (ook) een afhankelijke zin als lijdend voorwerp kunnen hebben.
Verder lezen
Transitieve en pseudo-transitieve werkwoorden
Werkwoorden die een handeling of toestand uitdrukken waarin twee participanten een rol spelen, worden transitieve (of overgankelijke) werkwoorden genoemd. Bij die werkwoorden kan het lijdend voorwerp normaal niet wegblijven. We zien dat bijvoorbeeld bij begrijpen, ontdekken en verslinden:
7aIk kan hun blijdschap volkomen begrijpen.
CHN
bIk kan volkomen begrijpen.uitgesloten
8aIn Sydney ontdekt ze dat ze een talent heeft voor toneel.
CHN
bIn Sydney ondekt ze.uitgesloten
9aAls kind verslond ik de jeugdboeken van Ida Vos.
CHN
bAls kind verslond ik.uitgesloten
Werkwoorden waarbij het lijdend voorwerp wel weggelaten kan worden, noemen we pseudotransitieve (of pseudo-overgankelijke) werkwoorden. Voorbeelden zijn bakken, betalen en schrijven. Als de tweede participant niet wordt uitgedrukt, is die wel impliciet in de betekenis aanwezig. Bakken in (10), bijvoorbeeld, roept ook zonder de aanwezigheid van een lijdend voorwerp het idee van een of meer 'baksels' op.
10Sommige mensen bakken graag (taarten) in hun vrije tijd.
CHN
11Hij betaalde (z'n rekeningen) nooit op tijd.
CHN
12Een van de collega's was (een script) aan het schrijven.
CHN
Lijdend voorwerp bij een intransitief werkwoord?
Intransitieve (of onovergankelijke) werkwoorden beschrijven een handeling of gebeurtenis die maar één participant vereist. Die hebben normaal gesproken dus geen lijdend voorwerp. Voorbeelden zijn sterven en bezwijken:
13Dat kind sterft in haar armen.
14De politie bezwijkt onder het werk.
Er bestaan enkele intransitieve werkwoorden die in uitzonderlijke gevallen wel met een lijdend voorwerp voorkomen, maar het aantal mogelijke lijdende voorwerpen is daarbij strikt beperkt. Voorbeelden zijn:
15Richard stierf een heldendood.
16De verantwoordelijken huilen krokodillentranen.
17De 27-jarige Rijkelnaar loopt wekelijks een marathon.
18Het bejaarde koppel danst de tango.
Met het voorvoegsel be- is overigens vaak een transitief werkwoord te maken van een intransitief werkwoord:
19aU woont hier in een niet onaardig optrekje.
bU bewoont hier een niet onaardig optrekje.
20aZe klimt op het krukje.
bZe beklimt het krukje.
Werkwoorden als breken en genezen
Tot slot noemen we nog werkwoorden die zowel transitief als intransitief gebruikt kunnen worden, zoals breken, genezen, kalmeren, opwarmen, rollen en smelten.
Dit worden ook wel 'ergatieve' of 'labiele' werkwoorden genoemd. Zinsparen als in (21)-(23) worden gezien als voorbeelden van de causatief(-inchoatief)alternantie .
Ze drukken een gebeurtenis uit waarbij een participant een verandering ondergaat:
21aZe brak mijn hart.
CHN
bMijn hart brak.
CHN
22aIk rolde de bal naar een medespeler.
bDe bal rolde naar een medespeler.
CHN
23aMijn vader kalmeerde de man.
CHN
bDe man kalmeerde.
CHN
In hun transitieve gebruik, zoals in de a-zinnen, wordt de participant die de verandering ondergaat door het lijdend voorwerp uitgedrukt, zoals de man in (23a); het onderwerp drukt degene uit die de verandering veroorzaakt, zoals mijn vader in (23a). In hun intransitieve gebruik, zoals in de b-zinnen, wordt alleen de veranderende participant uitgedrukt, als onderwerp: de man in (23b).
Literatuur
    Interessante links
    ANS
    Taaladvies
    Dagenta
    Taalportaal
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 Dirk Pijpops januari 2026 Een tussentijdse versie van deze paragraaf werd van commentaar voorzien door Maaike Beliën, Timothy Colleman, Frank Landsbergen en Freek Van de Velde. De verantwoordelijkheid voor de inhoud van dit hoofdstuk berust bij de redacteur(en).
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997 hoofdstuk 20,../../data/archief/ans2/e-ans/20/03/body.html;
    Interessante links