20.6.1 Eigenschappen
Het voorzetselvoorwerp heeft een aantal eigenschappen waaraan we het kunnen
herkennen. We richten ons hieronder op voorzetselvoorwerpen in de vorm van een
adpositieconstituent, en hoe die verschillen van andere
zinsdelen met die vorm, namelijk het indirect object met een voorzetsel (meestal
aan of
voor) en bijwoordelijke
bepalingen. Bijwoordelijke bepalingen geven meestal extra informatie
en zijn dan weg te laten, maar er zijn ook verplichte bijwoordelijke bepalingen, die niet weg te laten
zijn:
1Ze verheugde zich
op haar nieuwe taak.voorzetselvoorwerp
CHN
2 De kunstenares
overhandigde een kunstwerk aan de
burgemeester.indirect
object
CHN
3De hond lag te slapen in de
garage.niet-verplichte
bijwoordelijke bepaling
CHN
4De konijnen wonen tijdelijk in de
garage.verplichte
bijwoordelijke bepaling
CHN
Eigenschappen van voorzetselvoorwerpen in de vorm van een afhankelijke
zin komen uitgebreider aan de orde in 20.6.2.
Deze voorzetselvoorwerpszinnen kunnen altijd voorafgegaan
worden door een voorlopig voorzetselvoorwerp
(er + het vaste voorzetsel),
zoals in (5). En ze kunnen niet op de eerste zinsplaats staan, zie (6).
Met beide eigenschappen onderscheiden voorzetselvoorwerpszinnen zich van
afhankelijke zinnen die fungeren als lijdend voorwerp, indirect object of oorzakelijk voorwerp.
5We verheugen ons (erop)
dat het feest dit jaar eindelijk écht kan
doorgaan.
CHN
6Dat het feest dit jaar
eindelijk écht kan doorgaan, verheugen we
ons.uitgesloten
Kan een gezegde twee voorzetselvoorwerpen hebben?
Verdieping
Kan een gezegde twee voorzetselvoorwerpen hebben?
Er bestaat discussie onder taalkundigen over de vraag of een gezegde meer
dan een voorzetselvoorwerp kan hebben. Het gaat dan in het bijzonder over
gezegden die een vorm van communicatie uitdrukken, zoals
liegen,
aandringen en
spreken:
iDe atlete loog
tegen de rechter
over haar
dopegebruik.
CHN
iiVeel gemeenten
dringen bij het kabinet aan op
kortere
procedures.
CHN
iiiPrinses Beatrix sprak met
kinderen
over haar eigen
jeugd.
CHN
Volgens sommigen bevatten deze zinnen maar één voorzetselvoorwerp:
over haar
dopegebruik in (i), op
kortere procedures in (ii) en
over haar eigen
jeugd in (iii). De andere
voorzetselconstituent wordt dan geanalyseerd als een bepaling:
tegen de rechter in
(i), bij het kabinet in (ii)
en met kinderen in
(iii).
Zie Broekhuis (2004, 2014, 2019).
Anderen onderscheiden twee typen voorzetselvoorwerpen in deze zinnen: een
‘inhoudsobject’, zoals over haar
dopegebruik in (i), en een
‘partnerobject’, zoals tegen de
rechter in (i).
Zie Schermer-Vermeer (2019, 2020), Vandeweghe (2011, 2014),
Vandeweghe en Colleman (2011), Vandeweghe en Devos (2003).
De
partnerobjecten staan in een soort ‘tegenspelerrelatie’ tot het
onderwerp – vandaar hun naam. Tot deze partnerobjecten worden niet
alleen de ‘tweede’ voorzetselvoorwerpen gerekend in zinnen als
(i)-(iii), maar ook andere voorzetselvoorwerpen die in een
tegenspelerrelatie tot het onderwerp staan, zoals bij
lijken,
ruiken en
grenzen:
ivJij lijkt
op hem.
vHun jassen ruiken naar rook en
gin.
CHN
viDe achtertuin van
het huis grenst aan het
water.
CHN
Inhoudsobjecten kunnen niet alleen uitgedrukt worden door middel van een
adpositieconstituent, zoals in (i)-(iii), maar ook door middel van een
afhankelijke zin:
viiIk wil er niet
over liegen dat ik nog een
partner
heb.
CHN
viiiWe dringen er bij de
politie op aan dat er strenger
wordt
gecontroleerd.
CHN
ixIk heb er vooraf met de
coach over gesproken of dat
niet nuttig zou
zijn.
CHN
Partnerobjecten kunnen uitsluitend uitgedrukt worden door een
adpositieconstituent; ze zijn niet te vervangen door een afhankelijke
zin:
xJij lijkt
erop
dat …?uitgesloten
xiHun jassen ruiken
ernaar
dat ... ?uitgesloten
xiiDe achtertuin van het
huis grenst eraan
dat ... ?uitgesloten
Verder lezen
Vast voorzetsel met verbleekte betekenis
Het voorzetselvoorwerp komt voor bij vaste verbindingen van een gezegde en een
voorzetsel, zoals twijfelen over,
benieuwd zijn naar en
houden van. Dit betekent dat
er meestal slechts één voorzetsel mogelijk is.
Deze beperking geldt niet bij een bijwoordelijke bepaling:
Denken aan/om/over: keuze
van het voorzetsel
Verdieping
Denken aan/om/over: keuze
van het voorzetsel
Bij een aantal gezegden zijn wel degelijk meerdere voorzetsels bij het
voorzetselvoorwerp mogelijk, zoals bij
jagen in (i) en
denken in (ii). In
die gevallen is het aantal mogelijke voorzetsels wel erg beperkt: bij
jagen zijn enkel
naar en
op mogelijk, en bij
denken enkel
om,
aan en
over.
Zie ook Broekhuis (2004:
104–105).
iKlein en behendig
jagen ze over de dunste takken naar/op malse
insecten
iiDenk
om/aan/over je
houding.
Het is vaak nog niet duidelijk wat de keuze tussen mogelijke voorzetsels
bepaalt, zoals bij het gezegde
rouwen:
Niemand rouwt over/om
hen. Soms is er een betekenisverschil, zoals
bij denken aan
'in gedachten bezig zijn met' en denken
over 'overwegen' in (ii).
Zie Vandeweghe (2013: 98).
In andere gevallen is er een verschil in register of regiolect.
Zoeken naar (iiia)
is bijvoorbeeld gebruikelijk in het hele taalgebied, maar in België
wordt ook wel zoeken achter gebruikt:
Met deze eigenschap hangen nog drie andere kenmerken samen. Ten eerste is de
betekenis van het voorzetsel bij een voorzetselvoorwerp verbleekt. Waar
over in de bijwoordelijke
bepaling in (9) nog een duidelijke ruimtelijke betekenis heeft, en in (10) een duidelijke
temporele betekenis, is dat bij het voorzetselvoorwerp in
(11) niet het geval.
9Hij vliegt over
de maagdelijke
bossen.bepaling
10De vlucht van Howard
wordt over drie minuten
afgesloten.bepaling
11Richard twijfelt
over de waarde van zijn
werk.voorzetselvoorwerp
Ten tweede kan die verbleekte betekenis niet preciezer gespecifieerd worden door
bepalingen toe te voegen binnen het voorzetselvoorwerp die rechtstreeks betrekking
hebben op het voorzetsel. Waar op in
(12a) versterkt kan worden door
boven, zoals te zien is in
(12b), is dat bij (13) niet mogelijk.
Ten derde kunnen we bij een voorzetselvoorwerp geen nadruk leggen op het
voorzetsel, terwijl dat bij een bepaling wel mogelijk is:
14Ze
slaagt ín haar
opdrachten.uitgeslotenvoorzetselvoorwerp
15Die juwelen lagen
ín haar
nachtkastje.bepaling
Geen vervanging door hier,
daar
of ergens
Bij plaatsbepalingen die beginnen met een voorzetsel is het mogelijk de bepaling
te vervangen door een bijwoord van plaats als
hier,
daar
of ergens. Een voorbeeld
is de plaatsbepaling tegen de muur,
die vervangen kan worden door daar
in (16):
Bij het voorzetselvoorwerp is dit niet mogelijk, zoals (17b) laat zien.
Zin (17b) is wel mogelijk als
daar verwijst naar
de plaats waar de ademapparatuur ons beschermt.
Een
voorzetselvoorwerp kan wel vervangen worden door
hier,
daar of
ergens gevolgd door het
vaste voorzetsel, zoals daartegen in
(17c).Daar heb ik mij
vergist
Verdieping
Daar heb ik mij
vergist
Bij enkele gezegden, zoals zich
vergissen in (i), lijkt het alsof het
voorzetselvoorwerp toch de vorm kan aannemen van een bijwoord. Dat is
echter niet het geval. Ook in (ia) is
daar een bepaling,
die verwijst naar de – mogelijk metaforische – plaats waar men zich
vergist: vergelijk (ia) met (ib). Bij een voorzetselvoorwerp is het
voorzetsel wel steeds aanwezig, zoals we zien met
in in (ii).
En deed dat ...: geen afsplitsing
van het gezegde
Het voorzetselvoorwerp blijft normaal gesproken in dezelfde enkelvoudige
zin als het gezegde. Het kan er dan niet van worden afgesplitst:
Deze eigenschap heeft het voorzetselvoorwerp gemeen met verplichte bepalingen die
beginnen met een voorzetsel, zoals op een boot op de
Eem in (19). Bij niet-verplichte bepalingen is
het wél mogelijk de bepaling in een andere enkelvoudige zin te plaatsen, zoals
geïllustreerd in (20).
In zeldzame gevallen kan het voorzetselvoorwerp wel degelijk in een
andere enkelvoudige zin voorkomen dan het gezegde, zoals in (i)
hieronder.
iDocenten uit de
hogere klassen klagen over de onderbouw en de onderbouwdocenten
doen dat over de
basisschool.
CHN
Geen weglating van het voorzetsel
Anders dan het voorzetsel in een indirect object (meestal
aan of
voor) kan het voorzetsel bij
een voorzetselvoorwerp normaal gesproken niet worden weggelaten. In (21),
bijvoorbeeld, is zowel aan mij als
mij mogelijk als indirect
object. In (22), met het voorzetselvoorwerp tot een
glimlach, is het weglaten van het voorzetsel
tot niet mogelijk.
Soms kan het voorzetsel van het voorzetselvoorwerp wel weggelaten worden, zoals in
(23)-(25), maar dan is het resultaat niet meer een voorzetselvoorwerp, maar een
lijdend voorwerp:
Als dit zich voordoet bij een naamwoordelijk gezegde, is het resultaat
een oorzakelijk voorwerp:
Dat zinnen (23b)-(25b) een lijdend voorwerp bevatten, is te zien aan hun passiviseerbaarheid, waarbij
nieuwe oplossingen,
zijn naam en
deze rol fungeren als
onderwerp van de passieve zin:
(Naar) iets zoeken:
(betekenis)verschillen tussen voorzetselvoorwerp en lijdend voorwerp
Verdieping
(Naar) iets zoeken:
(betekenis)verschillen tussen voorzetselvoorwerp en lijdend voorwerp
Zoeken en vragen zijn
niet de enige gezegden die een handeling uitdrukken waarbij dezelfde
participant kan verschijnen als voorzetselvoorwerp of als lijdend
voorwerp. Andere voorbeelden zijn
verlangen
(naar),
vertellen
(over),
gehoorzamen
(aan),
gooien
(met) en
vertrouwen
(op) (zie ook het
overzicht in 20.6.3).
Welke factoren precies bepalen of het lijdend voorwerp dan wel het
voorzetselvoorwerp gebruikt wordt, is op dit moment slechts ten dele in
kaart gebracht. Wel is duidelijk dat het verschilt van gezegde tot gezegde.
Zie Van Belle en Van Langendonck (1996), van Hout (1996: 50–53,
94–98, 118–120), van Voorst (1996: 235–236, 241–242), Broekhuis
(2004: 122), Pijpops (2019) .
Bij verlangen in (i) bestaat
er bijvoorbeeld een vrij duidelijk betekenisverschil. Wanneer het
werkwoord verschijnt met een lijdend voorwerp, zoals in (ib), drukt het een
verlangen uit dat grenst aan een eis. Als het echter verschijnt met een
voorzetselvoorwerp, zoals in (ia) neigt dat verlangen veeleer naar een
hunkering.
Ook bij vertellen is er een
betekenisverschil: waar het onderwerp
(ik) in (iia)
mogelijk slechts iets zegt over een aspect van de droom, wordt in (iib)
de droom als geheel beschreven. In een context waarin het
voorzetselvoorwerp niet als een verhaal opgevat kan worden, zoals in
(iii), kan het voorzetsel dan ook niet worden weggelaten.
Bij sommige groepen van werkwoorden is er een systematisch
betekenisverschil. Dit geldt bijvoorbeeld voor werkwoorden met
aan die een creatie
uitdrukken, zoals bouwen
(aan), knutselen
(aan), schrijven
(aan) en timmeren
(aan). In (iva), met het
voorzetselvoorwerp, is het boek na het schrijven niet per se klaar,
terwijl dat in (ivb), met het lijdend voorwerp, wel zo is. Meer technisch
gesteld wordt het voorzetselvoorwerp gebruikt voor niet-telische (niet-noodzakelijk
eindigende) handelingen, terwijl het lijdend voorwerp gebruikt wordt voor
telische (eindigende)
handelingen.
We zien iets vergelijkbaars bij een groep werkwoorden die de beweging van
een lichaamsdeel uitdrukken, zoals bijten
(naar) en grijpen
(naar). Daarbij duidt het gebruik van het
lijdend voorwerp aan dat de handeling slaagt, wat niet geldt voor het
voorzetselvoorwerp.
In sommige gevallen is er niet per se een verschil in betekenis, maar een
regionaal verschil. Dit geldt bijvoorbeeld voor
peilen (naar): in
het hele taalgebied is
peilen met een lijdend voorwerp mogelijk, zoals in (via); in België wordt daarnaast ook het
voorzetselvoorwerp gebruikt, zoals in (vib):
Achter de tweede zinspool
Het voorzetselvoorwerp kan achter de tweede zinspool, op de laatste
zinsplaats, voorkomen (27b). In het voorbeeld hieronder vormt
aangedrongen de tweede
zinspool en is op de grootste
geheimhouding het voorzetselvoorwerp:
Het voorzetselvoorwerp deelt deze eigenschap met indirecte objecten met een
voorzetsel (28) en de niet-verplichte bijwoordelijke bepalingen (29):
28Er |werd| tevens speciale
aandacht |geschonken| aan het toegankelijk maken van de
jeugdprogramma's voor alle
jongeren.
29Hier |wordt| er ‘s
middags |gedanst| op de
speelplaats.
Het onderscheidt zich hiermee echter van de verplichte bijwoordelijke bepaling,
die doorgaans niet na de tweede zinspool geplaatst wordt:
Dat dit niet helemaal uitgesloten is, laten de volgende voorbeelden
zien:
iIn de jaren
zestig hebben mijn gezin en ik zes jaar gewoond in
Peru.
CHN
iiHet is mogelijk
dat hij zich bevindt in
Antwerpen.
CHN
30Een vriend van mij |heeft| een screensaver |gezet|
op mijn computer.uitgesloten
Positie dicht bij de tweede zinspool
Een voorzetselvoorwerp heeft een nauwere band met het gezegde dan een
bijwoordelijke bepaling. In zinnen met een voorzetselvoorwerp en een
bijwoordelijke bepaling staat het voorzetselvoorwerp volgens het inherentieprincipe dan ook dichter bij de tweede zinspool dan de bepaling.
Dit geldt alleen voor niet-verplichte bepalingen: bepalingen die extra
informatie geven en weggelaten kunnen worden. Een verplichte bepaling
staat, net als het voorzetselvoorwerp, dichter bij de tweede zinspool
dan een niet-verplichte bepaling, vergelijk:
iIk heb
tijdens mijn studie
in Zuid-Afrika
gewoond.
CHN
iiIk heb in Zuid-Afrika
tijdens mijn studie
gewoond.uitgesloten
Een voorzetselvoorwerp en een verplichte bijwoordelijke bepaling komen
nooit samen bij één gezegde voor. Anders dan een voorzetselvoorwerp kan
een verplichte bepaling niet na de tweede pool staan.
Dat is te zien in voorbeeld (31), waarin zowel een voorzetselvoorwerp
over het voorstel
(gecursiveerd) als een bepaling tijdens de
pauze (onderstreept) voorkomen. Het
voorzetselvoorwerp komt steeds direct voor of achter de tweede zinspool
gesproken:Enkel onder invloed van het links-rechts-principe of het complexiteitsprincipe of wanneer er bijzondere
intonatie gebruikt wordt, kan een bepaling dichter bij de tweede pool geplaatst
worden dan een voorzetselvoorwerp:
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | Dirk Pijpops | januari 2026 | Een tussentijdse versie van deze paragraaf werd van commentaar voorzien door Maaike Beliën, Timothy Colleman, Frank Landsbergen en Freek Van de Velde. De verantwoordelijkheid voor de inhoud van dit hoofdstuk berust bij de redacteur(en). |
| 2.1 | januari 2019 | Automatische conversie van ANS 2.0 | |
| 2.0 | W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn | 1997 | hoofdstuk 20,../../data/archief/ans2/e-ans/20/06/body.html; |
