Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • DBNL
  • Taaladvies.net
  • Wikipedia
  • Google

Woordsoorten: de adpositie

Hieronder staan lesideeën over de adpositie. De onderwerpen in deze lesideeën zijn gebaseerd op het ANS-hoofdstuk over de adpositie en de samenvatting ervan. De ideeën verschillen in hun mate van uitwerking.

De volledige tekst van de eerste oefening is te kopiëren voor eigen gebruik met de knop 'Kopieer tekst naar klembord' en vervolgens te plakken met ctrl+v.

De adpositie

Voorzetsels of achterzetsels?

Deze oefening is bedoeld om leerlingen/ studenten te laten inzien dat specifieke adposities een verschillende betekenis kunnen uitdrukken, afhankelijk van of ze gebruikt worden als voorzetsel dan wel als achterzetsel. Achterzetsels roepen altijd het idee van een pad (of richting) op, terwijl (locatieve) voorzetsels (bijv. op, in) puur een plaats uitdrukken. Een toelichting voor de antwoorden staat onderaan.

1. Welke zin past het best bij de tekening?

  • a. De auto rijdt het kruispunt op.
  • b. De auto rijdt op het kruispunt.

2. Welke zin past het best bij de tekening?

  • a. De man wandelt in het bos.
  • b. De man wandelt het bos in.

3. Welke zin past het best bij de tekening?

  • a. Hij loopt de gang door.
  • b. Hij loopt door de gang.
(1) toont een situatie waarin de auto zich beweegt van de rand van het kruispunt naar ergens op het kruispunt. Hier is dus de keuze voor een achterzetselconstituent (a) de beste keuze: locatieve adposities als in en op worden gebruikt als achterzetsels om een pad (richting) aan te duiden, terwijl ze als voorzetsels meestal een plaats uitdrukken.
(2) toont een situatie waarin iemand die zich niet in het bos bevindt, het bos betreedt. Er is dus sprake van een pad, en dus is (b), met een achterzetsel, de juiste keuze.
(3) toont een situatie waarin een man zich in een gang bevindt en daar loopt. De keuze tussen voor- en achterzetsel is hier niet direct duidelijk. Als de man de gehele gang doorloopt, en dus een pad aflegt, dan zou (a), het achterzetsel, de voorkeur hebben. Denk aan een zin als: De man liep de gang door en ging naar buiten. Maar als de man in die gang heen en weer loopt, of het is niet duidelijk of hij van de ene kant naar de andere loopt, is (b), het voorzetsel, de juiste keuze. Denk aan een zin als De man liep door de gang, toen hij de buurman zag staan.
Algemene Nederlandse Spraakkunst - lesideeën - adpositie
© Instituut voor de Nederlandse Taal

Achterzetsels of partikels?

Deze uitgebreide oefening gaat over de vraag wat de status is van op in zinnen als De auto reed het kruispunt op. Is op een achterzetsel, of is het als partikel deel van het scheidbaar samengesteld werkwoord oprijden? De oefening is bedoeld voor gevorderde studenten, en er moet gebruikt kunnen worden gemaakt van het Corpus Hedendaags Nederlands (CHN, toegankelijk via een universiteits- of hogeschoolaccount). Lesbrief achterzetsels of partikels