Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • DBNL
  • Taaladvies.net
  • Wikipedia
  • Google

Verschillen tussen de zinsdelen

Soms is het lastig om de verschillende voorwerpen uit elkaar te houden. Ook kan een voorwerp lijken op een bepaling. Hieronder proberen we enkele verschillen te verduidelijken.

Een lijdend voorwerp:xZie ook ANS 20.3.1 Het lijdend voorwerp > Eigenschappen.

  • begint nooit met een voorzetsel
  • wordt het onderwerp bij een passieve zin
  • is te vinden met vraag wie/wat + gezegde + onderwerp

Hiermee kunnen we in onderstaande zinnen het lijdend voorwerp herkennen:

  • geen voorzetsel:
    • Hij gaf hem een schouderklopje > Hij gaf aan hem een schouderklopje. (Aan) hem is dus geen lijdend voorwerp.
  • wie/wat + gezegde + onderwerp:
    • Hij gaf hem een schouderklopje > Wat gaf hij hem? Een schouderklopje.
    • Ze hebben ons gewaarschuwd voor de gevolgen > Wie hebben ze gewaarschuwd voor de gevolgen? Ons.
  • onderwerp van een passieve zin:
    • Ze hebben ons gewaarschuwd voor de gevolgen > Wij werden gewaarschuwd voor de gevolgen.

Hieronder is er in eerste zin sprake van een lijdend voorwerp. In de tweede zin niet, omdat om een gunst begint met een voorzetsel: het is een voorzetselvoorwerp.

  • Ik vroeg hem een gunst.
  • Ik vroeg hem om een gunst. (vragen om)

Hetzelfde zien we bij:

  • Ik zag de film. / Ik keek naar de film.
  • Ik zoek mijn sleutels. / Ik zoek naar mijn sleutels.

Hier bevat de eerste zin een lijdend voorwerp en de tweede zin een voorzetselvoorwerp.

Een voorzetselvoorwerp:xZie ook ANS 20.6.1 Het voorzetselvoorwerp > Eigenschappen.

  • komt voor bij werkwoorden met een vast voorzetsel: denken aan, houden van, geloven in
  • komt voor met voorzetsels die geen sterke, 'letterlijke' betekenis hebben

De eerste zin hieronder bevat het voorzetselvoorwerp op haar kleine broertje: op heeft geen ruimtelijke betekenis. De tweede zin bevat geen voorzetselvoorwerp maar een bepaling, op de tandpastatube: op heeft hier wél een ruimtelijke betekenis.

  • Ze past op haar kleine broertje.
  • Het dopje past op de tandpastatube.

In de zinnen hieronder worden denken aan en twijfelen over gecombineerd met een hele bijzin: op vakantie te gaan en of we moeten verhuizen. Hierdoor krijgen de hoofdzinnen een voorlopig voorzetselvoorwerp, eraan en erover:

  • Ze denken eraan op vakantie te gaan.
  • We twijfelen erover of we moeten verhuizen.

Soms kan het voorlopig voorzetsel daarbij worden weggelaten. Omdat dan ook het vaste voorzetsel bij het werkwoord wegvalt, kan het voorzetselvoorwerp (in dit geval of we moeten verhuizen) lastig als zodanig te herkennen zijn:

  • We twijfelen erover of we moeten verhuizen.

In de zinnen hieronder wordt het voorzetsel ook weggelaten. Toch is hier geen sprake van een voorzetselvoorwerp vertellen aan: (aan) mij is geen bijzin, en we kunnen er geen voorlopig voorzetselvoorwerp bij denken. (Aan) mij is een indirect object.

  • Ze vertelde het aan mij.
  • Ze vertelde het mij.

Een oorzakelijk voorwerp:xZie ook ANS 20.7.1 Het oorzakelijk voorwerp > Eigenschappen.

  • komt alleen voor bij een kleine groep naamwoordelijk gezegden

Voorbeelden zijn:

  • Ik ben mijn huiswerk zat. (iets zat zijn)
  • We zijn van plan om op vakantie te gaan. (iets van plan zijn)
  • Ze was hem geen complimentje waard. (iets waard zijn)

In de eerste zin hieronder is mijn sleutels een oorzakelijk voorwerp. Het kan geen lijdend voorwerp zijn, omdat kwijt zijn een naamwoordelijk gezegde is. In de tweede zin is mijn sleutels wel een lijdend voorwerp.

  • Ik ben mijn sleutels kwijt.
  • Ik zoek mijn sleutels.