Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • DBNL
  • Taaladvies.net
  • Wikipedia
  • Google

Het voorzetselvoorwerp (voorzetselobject)

Het voorzetselvoorwerp of voorzetselobject is een zinsdeel dat begint met een vast voorzetsel. Typische voorbeelden zijnxDit is een samenvatting van ANS 20.6 Het voorzetselvoorwerp.:

  • Ava keek naar een documentaire over haaien.
  • Ik moest net aan je denken!
  • Iedereen was blij met het resultaat.
  • Zorg jij voor wat lekkers bij de koffie?

Deze voorzetsels zijn verbonden aan het gezegde. Dat gezegde kan een enkel werkwoord zijn, zoals denken (aan) of kijken (naar), maar in bijna net zoveel gevallen gaat het om uitdrukkingen als blij zijn (met), moeite doen (voor) en op de hoogte zijn (van).

Een belangrijk kenmerk van de voorzetsels bij een voorzetselvoorwerp is dat ze weinig betekenis hebben. Daarin verschillen ze van de voorzetsels bij een bepaling, die bijvoorbeeld een ruimtelijke (ik sta voor het station) of temporele betekenis (ik ga voor het eten naar huis) kunnen hebben.

Het voorzetselvoorwerp kan ook een hele zin zijn:

  • Zorg jij ervoor dat we wat lekkers bij de koffie hebben?
  • Zorg jij dat we wat lekkers bij de koffie hebben?

We spreken dan van een voorzetselvoorwerpszin. Zo'n zin kan worden voorafgegaan door een voorlopig voorzetselvoorwerp, zoals ervoor (namelijk er + het vaste voorzetsel). Dit voorlopige voorzetselvoorwerp is bij sommige gezegden verplicht aanwezig, zoals bij denken aan:

  • Denk aan je warme sokken!
  • Denk eraan dat je je warme sokken niet vergeet!
  • Denk dat je je warme sokken niet vergeet! fout

Bij andere gezegden kan het worden weggelaten, zoals bij zorgen voor hierboven. Of je het voorlopig voorzetselvoorwerp wel of niet kan weglaten, hangt dus af van het gezegde.

Keuze van de voorzetsels

Meestal heeft het gezegde één vast voorzetsel: luisteren naar, jaloers zijn op, in staat zijn tot. Maar in sommige gevallen zijn er meerdere voorzetsels mogelijk. Voorbeelden zijn boos zijn op/over en denken over/aan:

  • Ben je nog boos op me?
  • Ben je nog steeds boos over die opmerking?
  • Ik moet nog even over je voorstel denken.
  • Ik moet steeds maar aan dat ongeluk denken.

Er is dan vaak sprake van een (licht) betekenisverschil. Je bent boos op iemand, maar je bent boos over iets. Denken over betekent 'nadenken', bijvoorbeeld over het nemen van een bepaalde beslissing. Denken aan betekent 'herinneren'.

Sommige werkwoorden kun je zowel met als zonder voorzetsel gebruiken, zoals kijken. Alleen in de gevallen met voorzetsel is er sprake van een voorzetselvoorwerp:

  • Heb je al naar die nieuwe serie gekeken? [voorzetselvoorwerp]
  • Heb je die nieuwe serie al gekeken? [lijdend voorwerp]

Aan haar / aan hen / eraan

Wanneer gebruik je aan/over/voor hem en wanneer eraan/erover/ervoor? Het verschil zit 'm in waarnaar je verwijst. Bij zaken (dingen) is gebruik van de vorm er + voorzetsel verplicht:

  • Ik moet om die mop lachen.
  • Ik moet om hem lachen. [hem = de mop] fout
  • Ik moet erom lachen.
  • Ze sprongen in het koude water.
  • Ze sprongen in het [het = het koude water] fout
  • Ze sprongen erin.

(Merk op dat de combinatie er + met de vorm ermee krijgt.)

Bij mensen is juist de vorm voorzetsel + persoonlijk voornaamwoord de gebruikelijke vorm:

  • Ik moet om Sam lachen.
  • Ik moet om hem lachen. [hem = Sam]
  • Ik moet erom lachen. fout
  • Ik moet om Sam en Cloë lachen.
  • Ik moet om hen lachen.
  • Ik moet om ze lachen.

Het persoonlijk voornaamwoord van de derde persoon meervoud is hen (en niet hun), maar in gesproken taal wordt vaker het informelere ze gebruikt.

Eraan / er ... aan / waaraan

Er kan direct voor het vaste voorzetsel staan (erom), maar er kunnen ook een of meer woorden tussen staan. We noemen er een voornaamwoordelijk bijwoord. Andere voornaamwoordelijke bijwoorden zijn hier, daar, waar, ergens, nergens en overal.xZie ook ANS 17.1.2 Voornaamwoordelijke bijwoorden.

  • Ik moet erom lachen.
  • Ik moet er hard om lachen.
  • Daar moet ik hard om lachen.
  • Hier moet ik hard om lachen.
  • Waar moet jij hard om lachen?

Verder zijn een aantal speciale gevallen:

  • Jij denkt ook aan alles. > Jij denkt ook overal aan.
  • Ik denk aan niets. > Ik denk nergens aan.