|
|
Alsof, of, als (niet-werkelijkheid)
|
[ 10·3·14·1 ]
|
|
De voegwoorden
alsof,
of en
als leiden bijwoordelijke bijzinnen in. Na alsof en
of volgt een zin met achter-pv, na als in de hier
bedoelde functie een zin met voor-pv en inversie; deze laatste constructie
behoort tot formeel of
formeel-archaïsch taalgebruik
. Door deze voegwoorden wordt de tweede term van de vergelijking (datgene
waarmee iets anders vergeleken wordt) voorgesteld als niet-werkelijk.
Voorbeelden:
|
(1)
|
Hij maakte een gebaar alsof hij het boek naar mijn hoofd wou
gooien.
|
|
(2)
|
Ze gedraagt zich of ze hier de baas is.
|
|
(3)
|
U spreekt over die diefstal als was het een kleinigheid.
<formeel>
|
Zie over het gebruik van de werkwoordstijden na deze voegwoorden
.
In de vaste uitdrukking
als het ware
, die als bijwoordelijke bepaling fungeert en tot de standaardtaal behoort,
heeft als geen inversie. Ook het enkele woord als
kan soms met de functie van als het ware gebruikt worden.
Vergelijk:
|
(4a)
|
Het was als ware hij met stomheid geslagen.
<formeel>
|
|
(4b)
|
Hij was als het ware met stomheid geslagen.
|
|
(4c)
|
Hij was als met stomheid geslagen.
|
|
|
|
|