Aanwijzend en persoonlijk voornaamwoord
 
[ 5·6·3·3·1 ]
 
Zelfstandig die en dat kunnen verwijzen naar een eerdergenoemde persoon of zaak, net zoals de persoonlijke voornaamwoorden van de derde persoon. In het algemeen kan gesteld worden, dat bij voorkeur het aanwijzend voornaamwoord gebruikt wordt als wordt teruggewezen naar een persoon of zaak die pas in de conversatie geïntroduceerd is. Heel vaak openen die en dat dan ook een nieuwe zin. In de daarop volgende zin kan dan weer een persoonlijk voornaamwoord gebruikt worden. Vergelijk:

(1) Ik ben gisteren Arie tegengekomen. Die had ik al in jaren niet meer gezien. Hij was in het buitenland geweest, vertelde hij.
(2) Ik denk dat ik die ouwe stoel maar eens ga opruimen. Die staat daar al zo lang. Hij moet nu maar eens weg.

Het persoonlijk voornaamwoord heeft daarentegen sterk de voorkeur wanneer naar een persoon of zaak teruggewezen wordt die al langer 'gespreksonderwerp' is en dus geen nieuwe informatie verschaft. Vandaar dat in de volgende stukjes conversatie, waarin de man en de stoel al 'bekend' moeten zijn (anders stond er respectievelijk Er leunde een man tegen de muur en Er stond een stoel in de hoek of In de hoek stond een stoel) alleen een persoonlijk voornaamwoord gebruikt kan worden:

(3a) De man leunde tegen de muur. Ik vertrouwde 'm niet erg.
(3b) De man leunde tegen de muur. Die vertrouwde ik niet erg.   <<uitgesloten>>
(4a) De stoel stond in de hoek. Ik vond 'm niet mooi.
(4b) De stoel stond in de hoek. Die vond ik niet mooi.   <<uitgesloten>>

In formeel taalgebruik komt in plaats van die ook deze voor, met name wanneer naar een persoon verwezen wordt, bijv.:

(5) Toen sprak de minister van Justitie. Deze hield staande dat de gevangenisoverheid geen schuld had aan de ontsnapping van de misdadigers.   <formeel>

Bij verwijzing naar meer dan één persoon krijgt deze een meervouds-n:

(6) Na afloop van het congres bestormden de journalisten de deelnemers. Dezen weigerden echter commentaar te leveren.   <formeel>

In gesproken taal kunnen het aanwijzend voornaamwoord die en de gereduceerde vorm van het persoonlijk voornaamwoord derde persoon enkelvoud (ie, die) samenvallen. Om dubbelzinnigheid te vermijden zal men daarom in een zin als de volgende die (enigszins) beklemtonen:

(7) Jan ging zijn vriend opzoeken voor die op reis ging. (die = zijn vriend)

De dubbelzinnigheid wordt in ieder geval vermeden door gebruik van het meer formele deze.
 
vorige pagina De voor dit onderdeel gebruikte literatuur volgende pagina