Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
Overzicht van de meest voorkomende Nederlandse voorzetsels
De voorzetsels in de tabel hieronder staan gerangschikt volgens type: locatief, directioneel, temporeel, ander type. Locatieve en directionele voorzetsels kunnen echter ook temporeel of anders gebruikt worden. Dit wordt in de verschillende voorbeeldzinnen geïllustreerd.
Verder lezen
Tabel 1. Overzicht van veelvoorkomende voorzetsels.
Type Vorm Voorbeelden
Ruimtelijk: locatief op Duizenden mensen lagen op het gras te zonnen.
De kat sprong op de stoel.
Op zaterdag bezoekt ze een museum.
Hier moeten we wachten op de trein.
aan Aan de muur hangt een kaart van Europa.
Ze denkt aan een opleiding in Nederland .
Ze parkeerde aan de kerk.
Hij gaf de bloemen aan zijn moeder.
tegen Hun grote tafel stond tegen het raam.
Hij gooide de bal tegen het net.
Tegen twaalven zat iedereen aan tafel.
Niets weegt op tegen de kookkunsten van mijn moeder.
in Geert woont in Antwerpen.
De fietser slipte en belandde in de gracht.
Ik ben jarig in juni.
Hij gelooft niet in de eeuwige liefde.
binnen Binnen enkele weken vertrekken ze op reis.
Een trappist wordt gebrouwen binnen de muren van de abdij.
buiten Het slachtoffer bevond zich buiten de afgebakende skipiste.
Ouders plannen nu al vaak reizen buiten de schoolvakanties.
voor Voor het stadhuis hebben zich tweehonderd mensen verzameld.
Hij ging voor acht uur al de deur uit.
Het KNMI waarschuwt voor verraderlijk gladde wegen.
onder Strandkrabben houden zich vaak schuil onder stenen en schelpen.
Axel rende weg naar zijn kamer en kroop onder de deken.
achter Een vriendelijke agent staat achter de balie.
boven De roofvogel cirkelt boven het weiland.
naast Naast de kerk lag het kerkhof.
Ik leg zijn boeken naast de computer.
bij Haar stoel staat bij het raam.
Het zal nu bij achten zijn.
Bij helder weer zijn er veel sterren te zien.
Die twee horenbij elkaar.
tussen Zijn boek lag tussen de kussens.
Tussen de middag haal ik vaak even een pizza.
halverwege Halverwege de Bay Bridge ligt een eilandje.
Paul en Caroline leerden elkaar halverwege de jaren 80 kennen.
tegenover Hij woont tegenover een supermarkt.
Ruimtelijk: directioneel - bron van Ze werd onwel, verloor het bewustzijn en gleed van haar stoel.
Van de week ben ik naar Amsterdam geweest.
De hond van onze buren kwam aangestormd.
De hele buurt is geschrokken van de brute inbraak.
uit De aap klom uit de kooi.
Mensen hingen uit het raam maar zwaaiden niet.
Bezorgd kijken ze uit het raam.
Uit gewoonte had ze papier en potloden mee voor de kinderen.
Mijn gezin bestaat uit vier personen.
vanaf Ze vertrekt vanaf het station om 4 uur.
De gasten zijn welkom vanaf 15 uur.
vanuit Vanuit de kajuit ga je via een kleine wenteltrap omhoog naar het stuurhuis.
De vrouw bekeek haar schilderij vanuit alle hoeken.
vanonder Ze waren net een man vanonder het puin aan het halen.
Hij tuurde vanonder zijn grote pet naar de menigte.
Ruimtelijk: directioneel - route om De Japanse satelliet cirkelde om de maan en maakte schitterende opnamen.
Mijn hotel bevindt zich om de hoek.
Om twee uur moet ik bij de kapper zijn.
Het meisje smeekte om een ijsje.
door De auto reed door de tunnel richting Schiphol.
Onbekenden gooiden een steen door een ruit.
Zijn stem galmde door het bos.
Door de week ben ik ook altijd druk met mijn werk.
De brief werd overhandigd door de minster.
Er kon zondag en maandag niet gespeeld worden door de regen.
over De bromfietser reed over de brug.
Grote stenen liggen over het pad.
Over de grens wordt hij beschouwd als held.
Ik moet over een half uur thuis zijn.
Zij denkt anders dan ik over die zaak.
rond Ze liepen een paar keer rond het huis.
Rond het plein staan kastanjebomen.
Ze moesten rond middernacht thuis zijn.
via We moesten elke keer ontsnappen via de achtertuin van de buren.
Ik vernam het nieuws via de krant.
langs Tranen lopen langs zijn wangen.
De palmen langs de weg wuiven langzaam in de wind.
voorbij Hij reed voorbij de grote vrachtwagen.
Voorbij het liftenblok bevindt zich de uitgang.
rondom Ze moesten rondom het veldlopen.
De heuvels rondom de stad houden de vervuilde lucht gevangen.
Ruimtelijk: directioneel - doel naar Ik hield me aan de boot vast en zwom naar de kant.
Haar ouders waren naar de bioscoop.
Een groep kinderen zocht naar het vermiste hondje .
tot De treinen rijden tot het station van Zaventem.
De watervlakte strekt zich uit tot de horizon.
De staking duurt zeker nog tot maandag.
richting Een tiental enorme vogels zweeft richting de berg.
Temporeel tijdens Tijdens de zomervakantie komen veel jongeren naar het zwembad.
na Na de kerstvakantie begon ze te studeren.
sinds Ze is al ziek sinds vorige week maandag.
Anders met Ik speelde altijd schooltje met mijn zus en buurjongen.
Met Pasen rapen de kinderen eieren.
zonder Zonder zonnebril kan ik niet autorijden.
ondanks Ondanks politiecontroles blijft het sluipverkeer toenemen.
dankzij Het overleefde de ramp dankzij het reddingsvest.
volgens Volgens de experts is dit het beste restaurant van Brussel.
vanwege Vanwege het grote succes werd het atelier helemaal vernieuwd.
per Ze betaalden 80 euro per persoon.
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0
    Interessante links