Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
Voorzetsels
  • Voorzetsels zijn adposities die direct vóór hun complement staan en die samen met dat complement een voorzetselconstituent vormen.
  • Voorzetsels drukken een relatie uit tussen hun complement en een ander element in de zin:
    Behalve een naamwoord(groep) kan het complement ook een adpositieconstituent, een bijzin, een infinitief(constructie), of een bijwoordelijke constituent zijn; zie paragraaf 17.1
    • Een ruimtelijke relatie:
      • Locatief (plaats):
        • Bijv. Hun grote tafel stond tegen het raam.
        • waarin het voorzetsel tegen de relatie aanduidt tussen hun grote tafel (= referent van het onderwerp) en het raam (= complement), met andere woorden de locatie van hun grote tafel.
      • Directioneel (richting):
        • Bijv. Ze liep naar buiten.
        • waarin het voorzetsel naar de relatie aanduidt tussen ze (= referent van het onderwerp) en buiten (= complement), namelijk de richting waarin de referent van het onderwerp loopt.
    • Een tijdsrelatie (temporeel):
      • Bijv. Sinds vorig jaar studeert hij aan de universiteit.
      • waarin het voorzetsel sinds de relatie aanduidt tussen vorig jaar (= complement) en de stand van zaken studeert hij aan de universiteit, met andere woorden wanneer de stand van zaken begon.
    • Een ander type relatie:
      De overgrote meerderheid van de voorzetsels drukt een ruimtelijke of temporele relatie uit.
      • Bijv. Ondanks de regen ging de studiereis door. (toegevende relatie)
      • Bijv. Wegens zijn slechte gedrag werd hij van school gestuurd. (oorzakelijke relatie)
Verder lezen
De tabel hieronder geeft een overzicht van de meest voorkomende voorzetsels.
Zie paragraaf 9.1 voor een vollediger overzicht waarin ook de formelere voorzetsels uitgebreider aan bod komen.
Tabel 1. Overzicht van de meest voorkomende voorzetsels
Type relatie Voorzetsels
Ruimtelijk Locatief op, aan, tegen, in, binnen, buiten, onder, boven, voor, achter, naast, tussen, halverwege, tegenover, bij, beneden
Directioneel van, uit, vanaf, vanuit, vanonder, door, om, over, langs, voorbij, via, rond, rondom, naar, tot, richting
Temporeel na, sinds, tijdens, sedert, omstreeks, gedurende
Anders met, zonder, per, volgens, dankzij, ondanks, vanwege, wegens
De indeling in types komt niet altijd overeen met de betekenis die wordt uitgedrukt. Zo kunnen ruimtelijke voorzetsels vaak ook temporele en andere relaties uitdrukken,  zoals het voorzetsel voor in Hij ging voor de pauze al naar huis (temporeel), of in Ik heb eten mee voor de hond (doel/ bestemming).
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0
    Interessante links